Delen
Wat heb jij?
Mijn schuld was het niet. Ik was gewoon mijn bammetje aan het nuttigen aan de rand van een stadspark, naast een bankje (rollers gebruiken parkbankjes niet om op te zitten, maar om hun broodtrommeltjes op te parkeren).
‘Wat heb jij?’ sprak een meneer die op het bankje was gaan zitten zomaar uit het niets. Ik keek nog even verbaasd om mij heen of-ie misschien iemand anders aansprak, maar ik zag alleen een paar mussen en een soort eend. Deze vraag krijg je vaker als roller, en ik heb verschillende varianten bedacht om erop te kunnen reageren. Vandaag besloot ik de dure-taalvariant erop los te laten. ‘U tutoyeert mij nu, hetgeen impliceert dat wij elkaar kennen. Hiervan is echter geenszins sprake en daarom wil ik u met klem verzoeken om in het vervolg van dit gesprek wederzijds te vousvoyeren.’
Heel even had-ie er niet van terug. Maar na enig aarzelen deed hij toch een nieuwe poging. ‘Eh… nee, ik bedoel: wat héb jij?’
De beste strategie is trouwens om helemaal geen antwoord te geven op deze best brutale vraag van een nieuwsgierig Aagje. Of gewoon wat te jokken. Maar nu koos ik dan toch maar voor een eerlijk antwoord: ‘Wat ik heb? Even kijken hoor … een boterham met pindakaas, een huzarenslaatje, een appel en een klein beetje jeuk aan mijn linkeroor.’
De man liet zich echter niet zomaar afwimpelen en deed nu, een beetje geïrriteerd, een derde poging: ‘Nee, jij zit in een rolstoel, dus wát héb jij!?’
Hij vond blijkbaar dat hij recht had op een antwoord; had ik maar niet in het openbaar in een rolstoel moeten gaan zitten.
Dus toen moest ik wel: ‘O, bedoel je dat! Zeg dat dan meteen! Ik heb een rolstoel met een titanium frame en een stuk of vier wielen. Mooi ding, hè? En wat heb jíj eigenlijk?’
Dorst had-ie vermoedelijk, want hij dook hoofdschuddend het café aan de overkant van de straat in.
